De redacteur

Een goede redacteur is bittere noodzaak

Twintig jaar geleden werkten – naast de auteur – meerdere personen aan een manuscript. Uitgeverijen schakelden niet alleen een redacteur in, maar ook een corrector en een persklaarmaker. Na de laatste correctieronde volgde de proefdruk. Opnieuw gingen alle betrokkenen nogmaals door de hele tekst. Een goed leesbaar en zo foutloos mogelijk boek was het uiteindelijke doel. Nu, in 2018, zien veel uitgevers (en auteurs) dat als overbodige luxe, als een ronde waarop ze kunnen bezuinigen. Niets is minder waar.

Een van mijn eerste televisiefilms schreef én regisseerde ik zelf. Nu weet ik dat dat een combinatie is die je niet moet ambiëren. Destijds besloot ik op basis van die ervaring voorlopig geen eigen scenario’s te realiseren. Twintig jaar heb ik werk van anderen geregisseerd, daarna ben ik opnieuw eigen scenario’s gaan verfilmen. Ik had geleerd dat een dubbelfunctie je te weinig gelegenheid biedt afstand te nemen van je eigen werk, welke pet je op dat moment ook op hebt.

Als (fictie)schrijver ben je emotioneel dicht betrokken bij je onderwerp. Je houdt van je teksten, je hebt er eindeloos over nagedacht, je weet waarom je jouw verhaal op precies díe manier wilt vertellen. Tegelijk heb je daardoor onvoldoende afstand tot je eigen tekst. Daarom is een goede redacteur bittere noodzaak.

Mijn redacteur heet Katrien de Klein. Na de School voor Journalistiek begint ze in 1970 een carrière als redacteur-programmamaker binnen de Publieke Omroep. Sinds 2004 werkt ze als freelance redacteur onder de naam Katrien de Klein Redactiewerk voor verschillende gerenommeerde uitgeverijen.

‘Wijzigingen bijhouden’

Katrien verbetert mijn teksten in de meest brede zin van het woord, van stijl tot interpunctie. Op een gegeven moment is het zover en komt ze als redacteur in beeld: ze leest een ‘eerste’ versie – uiteraard de zoveelste voor mij – in zijn geheel door. We praten over haar eerste indruk en ik verhelder waar nodig mijn bedoelingen als het gaat om de grote lijnen. Vervolgens gaat ze alinea voor alinea door de tekst heen, maakt inhoudelijke opmerkingen, verbetert op het gebied van stijl en corrigeert taal- en spelfouten. Na die eerste ronde ga ik opnieuw door de tekst heen, gebruik makend van de modus ‘wijzigingen bijhouden’ van de tekstverwerker. Ik accepteer, verwerp, verander, verbeter en leer ondertussen beter schrijven. Indien nodig volgt er een tweede, eventueel nog een derde ronde.

‘Dit héb je al verteld.’

De basis voor een nieuw manuscript schrijf ik in het softwareprogramma Scrivener. Dat programma biedt de mogelijkheid om per sectie aan de tekst te werken. Ideaal om fictie en feiten tot een nieuwe werkelijkheid samen te voegen. Foto’s, documenten, geluidsfragmenten, alles heb je bij de hand om nieuwe ideeën een plaats in je verhaal te geven. Tegelijk is deze werkwijze verraderlijk. Wanneer je bij het heen en weer springen in het materiaal niet zorgvuldig bijhoudt wat je wijzigt, vergroot je de kans op herhalingen en onjuiste data in de tijdlijn. Allemaal vermijdbare fouten, maar ze zijn snel gemaakt. Ook hierbij heb je een frisse blik van buiten nodig.

Of je het wilt of niet, er komt een moment dat je een complete eerste versie door mailt naar je redacteur. Eén bestand, het hele manuscript. Katrien werkt in de tekstverwerker Word. Zij stuurt op een gegeven moment het bestand terug. In ‘Wijzigingen bijhouden’ zie ik dan rechts een kolom met correcties, vaak veel langer dan de betreffende pagina tekst. Veel van de correcties zijn rood (verwijderd), een kleiner aantal blauw (veranderde opmaak). In verreweg de meeste gevallen, daar waar het gaat om taal en taalbeheersing, begrijp ik wat ik fout gedaan heb. Van dat soort missers kun je leren. Regelmatig schaam ik me diep. Op die momenten wijst Katrien me erop dat ik iets al heb verteld, dat ik data door elkaar heb gehaald of leeftijden niet consequent heb bijgehouden. Telkens neem ik me na zo’n stomme fout voor het de volgende keer beter te doen, maar ze blijven af en toe voorkomen.

‘Bedoel je dit zoals het er staat?’

Tijdens het redactieproces zoeken we voortdurend bij elkaar naar verduidelijking. ‘Als je dit bedoelt zoals het er staat wissel je van vertelperspectief. Dat kan, maar dan moet je wel een nieuwe alinea beginnen. Lees de tekst daar nog eens goed op na, want al snel schrijf je weer vanuit het vorige standpunt. Je kunt beter niet teveel wisselen in dat opzicht.’ In de spanning van het moment, midden in het verhaal, schrijf je op wat er volgens jou gebeurt. Je hebt iemand nodig die daar fris tegenaan kijkt om je op perspectieffouten te wijzen.

‘Gaat dit écht zo?’

De werkelijkheid – ‘maar zo ging het écht’ – is niet altijd bruikbaar. In de filmerij heb ik geleerd iets wat in het echt een uur duurt door middel van montage terug te brengen tot dertig seconden. Dat principe moet een schrijver voortdurend hanteren. Indikken, overgangen maken, tempo houden waar dat nodig is, vertragen als dat spanning oplevert. Regelmatig betrap ik mezelf op vaagheden, onbedoelde omwegen en ‘sfeer-om-de-sfeer’. Stapje voor stapje leer ik om tijdens het schrijven al kritisch te kijken naar wat er op het scherm verschijnt.

De laatste aanvullingen

Uiteindelijk, wanneer we het over inhoud en stijl eens zijn, ligt er de definitieve, persklare versie van Onder verdenking. Ondertussen werk ik aan de ‘kop en de staart’: de titelpagina’s, het colofon en de pagina’s met de ‘verantwoording’ en de ‘woorden van dank’.

Tot slot werken we aan de persklare proloog van Dood in opdracht, het volgende deel van Severyn & Govaert. Dit voorproefje voor de serielezer zal uiteindelijk helemaal achterin het boek komen te staan.