De typograaf (1)

‘Het boekblok is het hart van een boek’

Sander Pinkse
Sander Pinkse
Fotografie © Drukwerk in de marge

Is de omslag de verpakking, dan is het boekblok het cadeau. Ik praat met Sander Pinkse, de man die het binnenwerk, ook wel boekblok, van Severyn & Govaert gaat vormgeven. Pinkse ontwerpt en produceert boeken, in alle soorten en maten. Dat doet hij al vijfentwintig jaar, voor allerlei verschillende opdrachtgevers: uitgevers, non-profit-organisaties, de culturele sector en particulieren.

Een eeuwenoud souterrain aan een gracht in Amsterdam. Volle baksteen, schoongewerkte muren, nissen waarvan de functie niet meer te achterhalen is, invallend daglicht, dominant in de ruimte een complete loodzetterij en -drukkerij. Veel lade- en letterkasten, een lijmpers, een bindmachine, alles heeft met boekproductie te maken. Allesoverheersend zijn de honderden boeken zélf. Uiteenlopend van peperdure jubileumboeken tot kleine, handgenaaide herdenkingsuitgaven.

Leesvriendelijke letter

De redacteur, de corrector en de persklaarmaker helpen je om een tekst leesbaar te maken. Uiteindelijk is de typograaf de laatste schakel tussen schrijver en lezer. Een onmisbare bemiddelaar. Hij kent de conventies om iemand die aan een boek begint aan het lezen te krijgen en te houden. Een lezer die volledig op gaat in een roman leest geconcentreerd van voor naar achter. Iedere volgende alinea, elke nieuwe bladzijde, ieder ander hoofdstuk in het boek brengt het verhaal verder. Om dat mogelijk te maken mag de vormgeving van de tekst de lezer niet afleiden. Een neutrale, leesvriendelijke drukletter is een eerste vereiste. De letter zélf mag geen aandacht trekken. Een tweede belangrijk element vormen de regellengte en -afstand. Wanneer je ogen het begin van de volgende regel niet onmiddellijk vinden is er iets fout in de opmaak van de pagina.

Een vuile proef

Pinkse laat mij omslagen voelen waar hij vol enthousiasme over spreekt. Van mat krasvrij, naar mat zonder laminaat, naar glanzend met opdruk, naar sensueel en satijnzacht. Hij legt me uit waaróm hij wélke keuzes gemaakt heeft. Het voelt als een aanloopje naar waar het eigenlijk om gaat: de inhoud. We bladeren door gebonden boeken met een stofomslag, paperbacks met of zonder flappen, bekijken bladspiegels, vergelijken  de lettertypes die we mooi vinden. Ik ontdek de verschillen tussen druk- en webletters.

We praten over hoofdstuknummering, het ideaal aantal pagina’s, beginkapitalen, marges, kopwit, zijwit, katernen, papierkeuze, papierdiktes, belettering, prettig leesbare fonts en een vuile proef. Het duizelt me, tegelijk is het ongemeen spannend. De boeken van Severyn & Govaert gaan leven, krijgen handen en voeten, lijken een eigen identiteit te ontwikkelen.

We maken werkafspraken; ik lever een door mijn redacteur geredigeerde en persklare tekst aan, Sander maakt vervolgens een stramien. Er valt een last van mijn schouders als tot me doordringt dat hij ook de definitieve bestanden converteert, het contact met de drukkerij onderhoudt en alles digitaal aan hen aan zal leveren.

Een speciale luxe editie in een kleine oplage

Bij de deur geeft hij me nog een tip: vraag de drukker om tien exemplaren apart te houden, in katernen. Ongebonden, nog niet schoongesneden. Kun je zelf bij een boekbinder gebonden exemplaren laten maken. Een speciale luxe editie in hele kleine oplage. Voor je eigen plezier, en voor hen die je lief hebt.

Een lijstje

Hieronder volgt een – onvolledig – lijstje van (typo)grafische termen waar je als beginnende uitgever mee te maken krijgt:

Aantal pagina’s: een vuistregel bij het drukken van een boek is dat het aantal pagina’s deelbaar moet zijn door 16, of liever nog door 32. In de regel passen er bij een roman 325 woorden op een pagina. Bij het eerste deel van Severyn & Govaert, Onder verdenking, kozen we voor 320 pagina’s. 

Beginkapitaal: een groter korps van (meestal) de eerste letter aan het begin van een alinea.

Binnenwerk (of boekblok): het boek zónder de omslag.

Bladspiegel: de plaats van de zetspiegel op de pagina, met inbegrip van de marges.

Flap: naar binnen gevouwen voor-of achterflap van een omslag.

Flaptekst: korte tekst (vaak een beknopte samenvatting van de inhoud), op de (voor)flap van het omslag.

Font: een lettertype, een stilistisch samenhangende set letters, cijfers en leestekens.

Genaaid gebrocheerd: de katernen worden met garen aan elkaar genaaid en vormen samen een boekblok, daaromheen wordt een band aangebracht m.b.v. schutbladen.

Hoerenjong: het laatste woord (of een gedeelte van een regel) van een alinea dat als eerste regel bovenaan een nieuwe pagina verschijnt.

Kastlijntje: een lang horizontaal streepje (—). Als gedachtestreepje wordt meestal een half kastlijntje (–) gebruikt.

Katern: een aantal vellen, bedrukt en tot katernen gevouwen. De katernen samen vormen een boekblok, waaromheen een omslag wordt gelijmd.

Kopwit: de witmarge aan de bovenzijde van de zetspiegel.

Korps (of corps): de grootte van de letter, uitgedrukt in punten. Het gaat om de afstand (ruimte tussen) van de onderkant van een staartletter (zoals de g of j) tot aan de bovenkant van een stokletter (zoals de f of l).

Laatste proef: de versie van het zetsel waarvoor de klant een akkoord gegeven heeft.

Marge: de witte ruimte rond het bedrukte deel van de pagina (buiten de zetspiegel). 

Nawerk: de pagina‘s aan het eind van het boek, ná de eigenlijke tekst (het register, een literatuurlijst, de verantwoording enz.).

Voorslag: de hoeveelheid wit waarmee de eerste bladzijde van een hoofdstuk begint.

Schreef: het kleine dwarsstreepje aan een schreefletter.

Staartletter: een kleine letter waarvan een gedeelte onder de zetlijn uitsteekt (zoals de g, j, p, q, ij en de y).

Stokletter: een kleine letter waarvan een gedeelte boven de hoogte van de x uitsteekt (zoals de b, d, f, h, k, l en de t).

Snijwit: marge tussen de zetspiegel en de de papierrand aan linker- of rechterzijde.

Staartpagina: de laatste pagina van een hoofdstuk.

Rugwit: het onbedrukte gedeelte tussen de zetspiegel en de rug van het boek.

Voetwit (of staartwit): marge tussen zetspiegel en de onderkant van de papierrand.

Voorplat: de voorkant van de omslag van een boek.

Voorwerk: de ongenummerde pagina’s van een boek voorafgaand aan de eigenlijke tekst: titelpagina, inhoud, voorwoord enz.

Vuile proef: eerste proef, door de typograaf gemaakt in eigen huis.

Woordwit: de vrije ruimte tussen woorden (woordtussenruimte).

Zetspiegel: het bedrukte deel van de pagina.

Zijwit: de witmarge tussen de zetspiegel en de zijkant van de pagina die aangesneden wordt.