Duct-tape

Een kort verhaal

Voor mensen moeten we bang zijn en voor hen alleen, altijd.
Louis-Ferdinand Céline

Iedere keer weer was er die angst dat hij te ver zou gaan, dat hij haar om het leven zou brengen. Hij wilde dat niet, hij was juist op zoek naar leven, naar passie, naar liefde.

De statige panden rond de binnentuin van het universiteitscomplex torenden boven hem uit. Hoge schuiframen met kruisroeden. Hij telde de vakjes: twaalf in het vaste deel bovenin, zestien in het schuifraam. Hij telde altijd alles, dat maakte hem rustig. De stemmen die hij om zich heen hoorde waren van leeftijdgenoten, studenten, net als hij. Meer meisjes dan jongens, of leek dat maar zo? Ze waren vrolijker dan hij, lachende mensen met onbezorgde gezichten. Het was zijn generatie, maar hij hoorde er niet bij. 

Hij wilde ook lachen en onbezorgd zijn, maar hij wist dat zijn hoofd niet mee zou doen. Hij moest controle houden. Zijn opwinding mocht het niet winnen, dan zou hij fouten maken. Herinneringen schoven door en over elkaar heen, gezichten vervaagden, versmolten tot verlangen.

Geborgenheid, zei zijn moeder altijd, is een groot goed. Bescherming, rust en evenwicht, dat wilde hij. Hij wist dat het ooit zover zou zijn. Nu nog niet, nu was de chaos in zijn hoofd nog te groot.

Dat was het eigenlijk, die wanorde en verwarring, al die botsende deeltjes, het was te druk in zijn hoofd, te vol. Chaos is bedreigend, je houdt geen greep meer op de gebeurtenissen, je bent overgeleverd aan het lot. Daarom was hij bang voor dát moment, dat uur U waarop zijn behoefte om met iemand samen te zijn het zou winnen van al het andere. Die fatale seconde waarin zijn hoofd té vol zou zijn en zou exploderen. Ze zouden op de grond liggen, half over elkaar heen, en het verlangen naar ontlading zou een nietsontziende woede in hem losmaken. Razernij, begeerte, blinde drift. Je bent jezelf dan niet meer. Neurotransmitters blokkeren je remmingen, dopamine en endorfine nemen de besturing over, hij herinnerde het zich uit een college psychobiologie.

Een ouderejaars trok zijn aandacht. Hij had een grijze hoody aan, op zijn borst stond de tekst bad seed. Hij was aan het bellen, breed gebarend met zijn vrije arm. Warrig verhaal over de nadelige effecten van lange gevangenisstraf. Rafelige spijkerbroek, afgeknipt onder de knie. Daaronder blote, behaarde kuiten en dure leren puntschoenen met gespen, twee op elke schoen. Advocatenschoenen.

In Groningen, vorige zomer, was het bijna misgegaan. Hij had zich meteen laten uitschrijven, was in paniek naar Amsterdam vertrokken. Ze heette Laura, een prille eerstejaars, net achttien. Haar achternaam was hij vergeten. Niet haar huid en haar ogen. Prachtige, groene ogen. Blond haar, dat wist hij nog wel, niet meer hoe lang het was. De truc met de cjp-cultuurkaart werkte. Ze was dankbaar en alleen maar een beetje lacherig toen hij haar hand pakte en haar met een smoesje meenam de bosjes in. Toen hij haar naar de grond trok, zag hij een flits van paniek in die mooie groene ogen. Even, heel even, had hij doodsangst gezien. Vrijwel meteen verraste ze hem door begripvol en meegaand te reageren, door lief te zijn, zijn bezwete voorhoofd te strelen, een speelse zoen. Hij raakte in verwarring. Het gonsde door zijn hoofd: dit was échte liefde, dit was iemand die van hem hield, die lief en zacht kon zijn, iemand die vroeg en niet oordeelde. Toen hij haar slipje kapot trok, begon ze te gillen. Volstrekt onverwacht, hard en hoog. Hij schrok vreselijk. Waarom deed ze dat nou? Het was toch goed zo! Hij lag boven op haar, hand op haar mond, andere hand om haar keel, tot ze stil was.

Hij sloeg haar in het gezicht, smeekte haar te bewegen, maar ze lag daar, dood, een engel met haar broekje op haar knieën. Hij rende weg, wilde iemand anders zijn, maar dat lukte niet.

De volgende avond, tijdens het televisiejournaal, hoorde hij dat Laura V. niet dood was, maar bewusteloos. Een voorbijganger met een hond had haar gevonden. Ze had diezelfde ochtend tegen de politie gezegd dat ze er bijna geen beelden meer van had, dat ze nauwelijks wist wat er was gebeurd nadat ze hadden gezoend. De woordvoerster zei dat ze slechts een beperkt signalement van de dader hadden. Ze lieten een compositietekening zien. De bril werkte, zoals altijd, dat leidde af van andere details. En zijn haar eraf, dezelfde dag nog, ook dat hielp. Het waren gewoontes geworden, een vast patroon. Hopelijk kon Laura zich echt niets meer herinneren, maar het onrustige gevoel bleef. Hij voelde zich niet veilig meer. Het duurde maanden voor het weg was, maar hij had nooit meer iets over het meisje gehoord. Langzaam begon zijn zoektocht opnieuw.

De wijzers van de klok boven de doorgang naar de Oudemanhuispoort wezen in de richting van de zes. Hij was moe en leeg, besloot naar huis te gaan. Toen hij de binnentuin overstak, zag hij haar zitten. Een rilling langs zijn rug, nieuwe energie. Hij wist het meteen: dit meisje zou zijn volgende project worden. 

Donkerblond, halflang haar. Grijze ogen. Lief gezicht. Ernstig, naar binnen gericht. Ze heette Maaike, daar kwam hij drie dagen later achter. Die eerste keer dat hij haar zag zat ze te lezen, haar benen onder zich gevouwen. Spijkerbroek met gaten, topje. Gympen uit. Slanke voeten. Hij kwam dichterbij, wilde weten wat ze las. Het was iets over strafrecht en psychologie. Hij onthield het bibliotheeknummer: 67 – 73.1.

De volgende drie dagen zat hij in de Juridische Bibliotheek op de eerste verdieping. Een lange smalle ruimte, boekenkasten aan de ene kant, desktopcomputers aan de andere. Een halfronde erker in het midden, mooi licht door de schuiframen. Weer die vakjes. Nog steeds achtentwintig per raam. Volgende week klinisch tentamen. Hij had zijn geneeskundeboeken voor zich, een dubbele bachelor betekende uren maken.

Die middag was het raak. Maaike verscheen bij kast 67, pakte twee boeken en installeerde haar laptop. Rugzakje, notitieblok, pen. Hij zat drie plaatsen verder, alert. Na een uur stond ze op. Toilet. Ver weg, achterin links. Hij stond op, onopvallend. Hier waren nog geen camera’s. Wel detectiepoortjes, maar hij zou niets meenemen. Hij ging op haar stoel zitten, sloeg een van haar boeken open en trok het rugzakje naar zich toe. Zonder om zich heen te kijken opende hij het voorvak. Bingo. Mapje, collegekaart en een identiteitskaart. Rustig nam hij de gegevens in zich op, hij had een goed geheugen. Een foto maken was nog makkelijker geweest, maar als hij aan een project werkte liet hij zijn telefoon altijd op zijn kamer liggen, of in een kluisje in de bibliotheek. Ze hoefden niet te weten waar hij was geweest gedurende zo’n dag. Hoezo, track & trace? De hele dag gestudeerd toch?

Ferwerda. Friesland, of Groningen? Misschien hield ze wel van zeilen. Hij rook aan het mapje en borg het weer terug. Jasmijn. Zo had ze ook kunnen heten. Hij sloot het voorvak van het rugzakje, stond op en liep terug naar zijn plek.

Maaike had zich verzet, veel sterker dan Laura. De gedachte aan de blonde Groningse studente maakte hem weemoedig. Laura was lief geweest, had hem een speelse zoen gegeven. Het had hem verward. Alsof ze echt wat hadden samen, alsof zij ervoor had gekozen om met hem te vrijen. Pas later, toen ze opeens ging gillen, ging het fout.

Maaike was feller geweest, mondiger. Ze had voortdurend gepraat. Ze probeerde hem te overtuigen dat hij haar beter kon laten gaan, dat ze haar mond zou houden, dat hij niet moest doen wat hij van plan was. Hij wilde niet dat ze zoveel praatte. Dan ging hij denken en dan ging het mis. Haar verzet maakte hem ook boos. Ze gaf hem het gevoel dat ze beter was dan hij, slimmer, intelligenter. 

Het was de eerste keer dat hij tape gebruikte. Na Groningen, toen Laura zo gilde, was hij op het idee gekomen. Duct-tape was efficiënt. Breed, grijs buizenplakband. Watervast.

Hij zat bovenop haar, met zijn knieën op haar bovenarmen, een hand op haar mond. Met de andere een strook plakband, eerst op haar rechterwang, dan over haar lippen, naar de andere kant. De blik in haar ogen vertelde hem genoeg, ze begreep nu dat het hem ernst was. Haar lichaam verslapte, ze gaf op, liet hem begaan. Veel had ze niet aan. Hij scheurde haar T-shirt kapot, daarna haar beha. Hardloopbroek doormidden en omlaag. Haar schoenen liet hij aan. Slipje kapot. Hij duwde met zijn knieën haar benen uit elkaar en trok de veter van zijn sportbroek los.

Op dat moment verraste Maaike hem volkomen. Van volledige passiviteit naar felle actie. Ze trok plotseling haar benen op en trapte hem hard tegen zijn borst. Tegelijk scheurde ze de tape van haar mond en begon te gillen. Hard en hoog. Hij was bovenop haar gedoken, ging met zijn volle gewicht op haar liggen, ene hand op haar mond, de andere kneep haar keel dicht. Het gillen hield op, maar ze bleef zich verzetten. Hij had met zijn ene hand de beha gepakt, die om haar nek gedraaid en hem met beide handen aangetrokken. Pas toen kwam er rust.

Even later was zijn hoofd leeg, geen beelden, geen herinneringen. Haar mobiel had hij in het water gegooid, wist nou al niet meer waar. Niet doen, niet denken. Hij liep, net als iedere jogger, ritmisch, zonder een echt doel. Hardloopschoenen, sneakersokken, sportbroek, T-shirt, i-pod, betere vermomming bestond er niet. De bril met het dunne montuur en het vensterglas zou hij bewaren voor een volgend project, het lichtblauwe vestje had hij weggegooid. Had hij ooit gelezen: mensen onthouden felle, primaire kleuren het eerst. Verder hebben ze meestal geen idee wat iemand aan had. Zijn mountainbike stond bij de rozentuin, in het midden van het park. Tweedehands. Tien minuten langs het kanaal naar de pont, en dan meteen de stad in. Anoniem, opgaan in de massa. Thuis wachtte de tondeuse.

Al op de pont was hij gaan twijfelen. Tot op dat moment dacht hij dat ze nog ademde toen hij bij haar wegging. Ze was bewusteloos, maar ze leefde nog, dat wist hij zeker. Hoewel? De onzekerheid knaagde. Als hij ongelijk had, was hij nu een moordenaar. Hij wou dat hij terug kon gaan om zekerheid te hebben. Dat er niemand meer was, een omgewoelde plek in de aarde, misschien een kledingstuk, verder niets. Dat ze was weggevlucht, hulp had gezocht.

Wat zou ze hebben gezien? Het was hectisch geweest, meestal zie je in een dergelijke situatie alleen maar details, geen samenhangend beeld. Zou ze iets hebben onthouden? Hij herinnerde zich een patiëntencollege met het slachtoffer van een overval. Na bewusteloosheid was er vaak sprake van verwarring, van posttraumatische amnesie. De patiënt kon geen nieuwe informatie opslaan en onthouden, zich niet meer herinneren wat er tijdens of na de overval was gebeurd. De mevrouw in de collegezaal wist niet meer welke dag het was, ze had toen ze bijkwam haar man niet meer herkend. Ze kon zich zelfs niet meer herinneren wat er net vóór de overval was gebeurd.

Het was tien voor acht toen hij zijn kamer binnenkwam. De tondeuse had hij vorig jaar in Groningen aangeschaft. Leek hem veiliger, een kapper zou zich hem kunnen herinneren. Die dingen werkten perfect. Opzetkam vier, twaalf millimeter. Hij had korte, donkerblonde stekeltjes nu. Weg krullen. Hij zette het eten van de afhaalchinees op tafel, pakte de afstandsbediening en klikte de televisie aan. Het journaal had er nog niets over. De rest van de avond had hij gestudeerd, nog steeds dat klinisch tentamen. Hij zou blij zijn als het achter de rug was. Om vijf voor twaalf had hij even naar het journaal gekeken. Weer niets. Hij hoopte dat ze het had gered.

De volgende ochtend was het raak. NPO Radio 1 met het nieuws van acht uur. Hij had goed geslapen, lag nog in bed.

Rond middernacht is in het Noorderpark in Amsterdam-Noord een jonge vrouw van negentien jaar oud dood aangetroffen. De vrouw lag vrijwel geheel ontkleed in het struikgewas bij de natuurvijver in het noordelijke gedeelte van het park. Haar lichaam …

Hij vroeg zich af of hij sporen had achterlaten. Die strook tape, ze had hem zelf losgetrokken, hij had geen idee waar die was gebleven. Maaike had hem nauwelijks aangeraakt voor zijn gevoel, behalve die enorme schop dan. Beide voeten tegen zijn borst. Aan een orgasme was hij niet toegekomen, van spermasporen was dus geen sprake. Voetsporen waren niet traceerbaar. Zijn schoenen en zijn kleren had hij de vorige avond nog in een ondergrondse vuilcontainer voor restafval gegooid. Het was donderdag vandaag, dus die was vanmorgen al geleegd.

Het was een natuurlijke beweging, bijna alsof hij buiten hardliep. Op de loopband hoefde je nergens op te letten, alleen op de snelheid. En de helling. Verder was het lopen, gewoon lopen. Hij zweette. Studenten kregen hier korting. Hij wist niet hoeveel tijd hij dit keer nodig zou hebben, had een maandabonnement genomen. Voor het eerst. Een forse investering. Maar die sportschool was een goed idee. Mensen die regelmatig trainen, hadden vaste gewoontes, daar hield hij van. Hij keek om zich heen. Veel vrouwen.

Hij had drie weken lang op wisselende tijden getraind. Wilde een indruk krijgen van de meiden die op vaste tijden aan hun trainingsschema werkten. In de tweede week had hij na de workout in de lounge een meisje gezien dat hem intrigeerde. Licht getinte huid, deed hem aan het Midden-Oosten denken, prachtig lang zwart haar. Jong nog, een jaar of achttien schatte hij. Zijn vader zou het vroeger een halfbloedje hebben genoemd. Hij was met zijn rug naar haar toe gaan zitten. Ze had het met een ander meisje over binnen en buiten lopen. Zij wisselde af. Drie keer per week buiten, twee keer in de sportschool. Altijd aan het eind van de middag, dan was het lekker rustig. Zaterdag en zondag niet, dan wilde ze uitgaan, kroegentocht, scoren.

Hij glimlachte. Zelden had hij zo snel en eenvoudig zoveel nuttige informatie verzameld. Het was een goed teken. Dit was een moment van luciditeit. Zij was zijn nieuwe project. Hij zag haar op dat moment in kleur, alles om haar heen was eenvoudiger, zwart-wit. Net als toen hij Laura uitkoos, en Maaike. Ook dit meisje was fullcolour, alle varianten van de regenboog. Hij was eraan toe, had behoefte aan hernieuwde concentratie, onderzoek, voorbereiding. Je richten op iets en je afsluiten voor al het andere. Focus, opwinding, resultaat.

Afgelopen dinsdagmiddag kreeg hij gelijk. Het Midden-Oosten-meisje trainde van vier tot vijf op de loopband, zoals hij had verwacht. Hij ging wat eerder naar buiten, klaar voor wat komen ging. Ze was op de fiets en reed van het Buikslotermeerplein naar het zuidwesten, richting IJ. Haar volgen was eenvoudig geweest. Ze keek niet op of om, fietste op het ritme van de muziek uit haar i-pod ontspannen naar huis. Vlakbij het NDSM-terrein waren studenten gehuisvest, in blokken van zo’n dertig op elkaar gestapelde containerwoningen. Afwisselend blauw en oranje geverfd, langwerpig, alleen aan de kopse kant een raam. Het leek hem klein en benauwd, hij was blij dat hij zelf in de stad zat. Ze zette haar fiets op slot, nam de buitentrap en liep de galerij op. Eerste verdieping dus. Hij holde de wenteltrap op, zag haar in de binnengang aan de rechterkant nog net een deur in gaan. Het ging goed. Hij rommelde wat in zijn zakken, alsof hij zijn huissleutels zocht en liep toen op zijn gemak de gang in. Een handgeschreven naambordje op de deurpost, direct onder de bel: Sacha Lahoud. In een ouderwets aandoend, rond en evenwichtig handschrift. Lahoud. Vaag herinnerde hij zich iets over een zangeres uit Beiroet. Halfbloed, misschien had ze een Libanese vader en een Nederlandse moeder. Hij liep door naar het eind van de gang, keek even uit het raam en draaide zich om. Nu de deur zelf. Eén blik was voldoende: paneeldeur met klink. Had hij in dertig seconden open. Hij wist nu hoe hij verder moest en stapte met een bijna vrolijk gevoel op zijn fiets, terug naar het centrum. Op de pont kon hij lekker uitwaaien.

De volgende dag eindigde hij zijn looptraining in de buurt van de wooncontainers. Handdoek om zijn nek. Hij deed in alle rust wat rek- en strekoefeningen. Het ging zoals hij had verwacht. Iets over half vier verscheen Sacha op de buitentrap. Tas met sportkleren, i-pod. Ze pakte haar fiets en verdween richting Buikslotermeerplein. Hij wachtte voor de zekerheid nog tien minuten en liep toen naar boven. De gang was leeg. Veertig minuten had hij minstens, moest ruim genoeg zijn. Hij pakte met de handdoek in zijn rechterhand de deurklink beet en haalde een gebogen stuk plastic tevoorschijn. Waar zo’n petfles al niet goed voor was. Hij schoof met zijn linkerhand het plastic tussen deur en sponning en duwde geroutineerd de schoot van het deurslot terug. Zijn inschatting klopte: Sacha draaide overdag haar voordeur niet op het nachtslot. De schoot week en hij was binnen. Rustig sloot hij de deur achter zich af en terwijl hij een paar dunne latex wegwerphandschoenen aantrok keek hij rond. Tweepersoonsbed voor het raam, een werktafel en een oude bank. Erboven een lange boekenplank. Paar stapels wat oudere cd’s, veel Libanese muziek. Aline Lahoud, dat was de zangeres die hij zich had herinnerd. Zou ze familie zijn? Of zou Lahoud in Libanon net zoveel voorkomen als De Vries of De Groot in Nederland?

Links van de voordeur was een douche en een apart toilet, rechts een keukenblokje. Sacha was selfsupporting, ze had niets met andere bewoners te maken. Op de werktafel lag een notitieblok, een ouderwetse vulpen en twee opengeslagen studieboeken. Grensoverschrijdend gedrag en Onderzoek & Statistiek. Eerstejaars psychologie schatte hij. Haar laptop lag op het bed. Sacha was ook nog eens goed van vertrouwen. Aan haar bureaustoel hing haar handtas. Haar telefoon en i-pod had ze natuurlijk meegenomen, maar misschien was er iets anders bruikbaars. Voorzichtig keek hij in de tas. Naast de gewone vrouwentroep vond hij een klein leren creditcardmapje. Lenerspas van de universiteitsbibliotheek, collegekaart, klantenpasjes, spaarpasje van de Triodosbank, OV-chipkaart. Hij legde alles in volgorde op tafel, pakte zijn digitale camera en fotografeerde de pasjes een voor een. Het toestel was van zijn moeder. Ze gebruikte het nooit en had gevraagd of hij hem wilde hebben. Hebben niet, lenen wel. Het apparaatje was klein en kwam goed van pas.

Hij stopte de pasjes in de juiste volgorde terug en keek om zich heen. Hij wist nog niet goed waar hij naar op zoek was. Dat hij nu foto’s van de pasjes had, was niet slecht, maar hij hield er niet van twee keer dezelfde truc te gebruiken. Hij maakte nog een paar foto’s van het interieur, voor je weet maar nooit. Door de viewer zag hij opeens een paar antieke busjes staan, links van de cd’s. Hij drukte af en liep ernaartoe. Het ene zat vol met paperclips, elastiekjes en punaises, in het andere zaten wat muntgeld, een brede, dof gouden trouwring en een paar sleuteltjes. Een ervan kwam hem bekend voor. Leek op het sleuteltje van zijn kabelslot, ook symmetrisch. Hij bekeek de wat afgesleten kunststof kop. Axa. Aan de andere kant stond Newton. Sleuteltje van een kabelslot, kon bijna niet anders. Reserve waarschijnlijk. Hij dacht even na, stopte het sleuteltje in zijn borstzak en zette alles weer zorgvuldig terug.

Op de gang kwamen voetstappen dichterbij. Hij schrok, draaide zich om en wachtte af. Het geluid stopte voor de deur. Iemand klopte drie keer. Stilte. Zijn hart bonsde, hij moest een smoes bedenken, maar wist niet wat. Weer drie kloppen. Een vrouwenstem riep zachtjes en aarzelend Sacha’s voornaam. Nog meer geluiden, onduidelijk. Ze schoof een briefje onder de deur door. Hij staarde naar het witte papier. De voetstappen verdwenen weer.

Hij knielde, pakte het briefje op en vouwde het open. Ondertekend door ene Katelijne. Of Sacha vanavond kwam chillen op 116, ze had drank en food, gingen ze op YouTube wat debiele filmpjes kijken. Het leek hem niks, hij hield niet van de sociale media, en al helemaal niet van debiele filmpjes. Hij kwam overeind, keek rond naar alles wat hij had aangeraakt, controleerde of hij geen fouten had gemaakt. Hij opende de deur. Niemand. Hij stapte de gang op, trok de deur achter zich dicht en liep naar het eind van de gang. Terwijl hij tevreden uit het raam keek trok hij zijn handschoenen uit. Binnenkort zou hij toeslaan.