Hoe overleef je totale afzondering?

isoleercel.jpg
Isoleercel anno 2018 – © Fotografie Goert Giltaij

Eenzame opsluiting in een isoleercel

De stalen deur van de isoleercel dreunt achter me dicht. Echo van eenzaamheid. De echte wereld is buiten. Ik staar naar de met vaalgroen plastic beklede matras op de grond. Matglazen bouwstenen in de buitenmuur laten gegroepeerd in vijf rijen van vier het daglicht door. Nog een uur, maximaal. Daarna neemt de in het plafond weggewerkte tl-balk het over. Onbreekbaar glas maakt de bron onbereikbaar. Uitdoen kun je dat verdomde kunstlicht niet. De eindeloze nacht wacht.

Tegenover het matras – een hoofdkussen ontbreekt – een roestvrij stalen toiletpot vol krassen en vlekken. Papier krijg je per keer aangereikt door het luikje in de deur, doortrekken doet de bewaarder.

Rechts naast de deur het intercomsysteem: een roestvrijstalen plaat met gaatjes voor de luidspreker, daaronder twee spleten voor de microfoon, daar weer onder een glimmende drukknop. Ik tel de gaatjes. Vierenveertig. Acht rijen van twee, zes en acht stuks. Geluiden zijn voor een gedetineerde belangrijk, buiten op de gang of door de intercom, zelfs stemmen in je hoofd zijn een teken van leven.

De fictie voorbij

Het is 1986. De Schans, een van de vijf torens van de Penitentiaire Inrichting Over-Amstel, beter bekend als de Bijlmerbajes. Het is een ultramoderne gevangenis. Directeur Jan van den Brandt voert een uiterst progressief beleid, stimuleert onderling contact tussen gedetineerden, samen sporten en samen koken. Ik verblijf vrijwillig een aantal uren in de isoleercel op de tiende verdieping om ‘te ervaren hoe dat voelt’.

Op diezelfde afdeling voor langgestraften draaien we een telefilm over heroïnegebruik door gedetineerden. We filmen gedurende de uren dat de gedetineerden naar ‘de arbeid’ zijn. Fictie gebaseerd op waargebeurde zaken, inclusief tafeltennisballetjes gevuld met heroïne, vechtpartijen, een schotenwisseling en een spectaculaire ontsnapping.

In de researchperiode draai ik een aantal dagen mee met de dagdiensten van de bewaarders. Van de twee collega’s zit er altijd een in de glazen ‘kooi’. Verboden gebied voor gedetineerden, het kloppend hart van de centrale beveiliging. Samen met zijn collega ben ik op ‘de vloer’. Een van de celdeuren staat op een kier. Ik bekijk de kindertekeningen die op de buitenkant geplakt zijn. Veel palmbomen, meerdere zonnen. Ik hoor slepende voetstappen, badslippers. De deur gaat langzaam verder open. Een boomlange, diepzwarte man kijkt me aan. Zijn wangen en kin zijn volledig ingezeept met wit scheerschuim. In zijn rechterhand een klassiek, geopend klapscheermes.

Die dag verdwijnt dat beeld maar langzaam van mijn netvlies. Ook de Nederlandse Turk Cevdet Yilmaz zit op deze afdeling. Op 5 april 1983 – hij was 27 jaar oud – schoot hij in café ’t Koetsiertje in Delft zes mensen dood. Yilmaz, redacteur bij een Nederlandse krant, zou door één van de bezoekers zijn uitgescholden: “Je mag dan wel een Nederlands paspoort hebben, je bent en blijft een kanker-Turk”. Hij vertrok, kwam terug en begon te schieten. Van de 12 kogels waren er 10 raak. Zes mensen, waaronder een vrouw en een 12-jarige kind, overleden. Yilmaz kreeg levenslang.

Anno 2018

Nu, ruim dertig jaar later, sta ik in een isoleercel van de Forensisch Psychiatrische Inrichting de Rooyse Wissel in Oostrum. We maken daar een zwart-wit fotoserie voor de website van All Fiction. Er is veel veranderd. In deze inrichting proberen de behandelaars eenzame opsluiting zo min mogelijk toe te passen. Helemaal afschaffen lukt niet. Wanneer het gedrag van een patiënt een gevaar voor hemzelf betekent, ontkom je er niet aan.

Het blijft een dwangmiddel, voor als je weer eens door het lint gaat

‘Je krijgt een blauw scheurpak aan, zo’n papieren zak met niets eronder. Aan de achterkant zit een rits met een slotje. Ze wikkelen je in een grijsgroene deken. Een soort glaswol. Loodzwaar, niet kapot te krijgen. Ze drukken je op de grond, tellen af tot nul en dan is iedereen weg. Soms blijf je liggen, hoop je dat ze terug komen, dat ze je losmaken. Dat gebeurt dan niet.’

Terug in de tijd

Starend naar de zwijgende intercom weet ik zeker dat de bewaarders na een paar uur terug komen, dat ze me eruit zullen halen. Toch voel ik me alleen. Verlaten, opgeborgen, weggestopt. Zal ik gaan liggen, of blijf ik staan? Zonder klok duren seconden eindeloos. Je hoort het bloed in je oren bonzen, gedachten gaan hun eigen weg. Alsof je weg zweeft naar een onzekere toekomst, waar een eigen wil je afgenomen is.