Kwaad ontwaakt: de proloog

“Minder, minder, minder!” De enthousiaste groep aanhangers scandeerde de leuze steeds sneller. Maart 2014, het leek een eeuw geleden. Nog steeds voelde hij hoe zijn hart sneller begon te kloppen toen hij de tevreden reactie hoorde: “Nou, dan gaan we dat regelen.” Vier jaar lang stilte, vier jaar lang was er niets gebeurd. De samenleving verloederde steeds verder. De politiek kwam niet verder dan domme kreten. Den Haag liet zijn eigen bevolking in de steek, nam onrechtvaardige besluiten, de politici verloren hun moreel gezag. De media hadden het voortdurend over verdraagzaamheid en verantwoordelijk zijn voor een ander. Welzijnswerktaal over onderlinge solidariteit, een normaal mens kon daar niets mee. Ethiek en moraal was voor mietjes. Eigen volk eerst, Nederland voor de Nederlanders.

‘Verberg je mes achter een glimlach.’ Hijzelf deed er tenminste wat aan. Bescheiden, maar toch. Iedere actie, elke kogel betekende eentje minder. Gewond, dood, of op de vlucht, terug naar huis. Alec telde ze dagelijks, de parasieten en de gelukszoekers. De vreemdelingen. Het werden er teveel.

Het hoge geschreeuw van een pauw weerklonk door het park. Het laatste oordeel. Hij stond stil, staarde over het water en wachtte tot het zover was, tot de grote wijzer op zijn polshorloge de twaalf zou raken. De efedrine begon te werken. Hij was helder, voelde zich alert, klaarwakker en actief.

De vorige keer dat Alec de jonge Marokkaan zag wist hij het zeker. Eentje minder. Deze. Een loverboy, aan het begin van een carrière in de Mocro-maffia. Zo’n kaal, opgeschoren hoofd, bovenop zwart stekeltjeshaar. Zwart leren jack. Goed gekleed. Versace. Afgetraind.

Dit was de zoveelste keer dat hij hem zag in deze wijk. Nu voor de derde keer met hetzelfde meisje. Blond, een jaar of achttien. Beetje ordinair. Een bereidwillige hoer, de liefde voorbij, Alec verachtte dat soort meiden. Altijd op hetzelfde bankje, aan de rand van de vijver, in het midden van het park. Avondmensen. Zij woonde vast in de buurt, hij niet natuurlijk. Nu ging het gebeuren. Nog honderd meter. Dan was er weer een minder. De zon was net onder. Tegen negenen.

De twee zoenden innig, geheel verloren in elkaar. Haar witte handen lagen losjes op zijn rug en zijn schouder. Lange, fel roodgelakte nagels.

Dertig jaar geleden had Alec ze voor het eerst gezien, soortgelijke nagels. Hun gezin reed in een goedkope huurauto door het hete Spaanse binnenland, op weg naar Madrid. Het gezin ging naar het Prado, moeder had gezegd dat een museum goed voor hen was. Vivienne en hij waren nog te jong om te protesteren.

Policía de tráfico. Een verkeersongeluk. Een geschaarde tankwagencombinatie, onder de aanhanger de overblijfselen van een vermorzelde Morris Mini. Uit het wrak stak een te dikke, witte onderarm, een linkerhand, met felrode nagels, een lillende klauw in een verstilde kramp. Meer was er van de bejaarde bestuurster niet zichtbaar. Het beeld was hem altijd bijgebleven, het leven ingehaald door de dood.

Nog zo’n dertig meter. Het moment naderde. Alec liep over de rand van gras, links van het pad. De laatste keer dat hij hier liep maakte het grind teveel lawaai. Nu kwam het aan op kalm blijven, timing en precisie. Hij haalde het wapen uit de zak van zijn regenjas, pakte de Cobra uit zijn binnenzak en schroefde de demper op de loop. Wanneer je maar normaal deed viel het niemand op wat je aan het doen was. Nog twintig meter. Vijftien patronen, één moest genoeg zijn. De hondenriem bungelde rond zijn nek. Hij liep rustig door en mikte op de rug. In het midden moest hij raken, tussen die twee witte handen, links van de thoracale wervelkolom, de bovenste helft van de ruggengraat. Trekkerdruk.

Op het moment dat de slagpin naar voren schoot en het schot afging, deed zij haar ogen open. Voorvoelde, begreep. De kogel raakte de rugwervel van de jonge Marokkaan op het moment dat ze haar vriendje van zich af duwde. Weg, weg van de naderende dood. Ze was te laat. Erger nog, ze had zijn bleekwitte gezicht met de montuurloze bril gezien, ze had in haar geheugen vastgelegd wat hij geheim wilde houden. Het moest. Weer die zachte plof, nu in de borst. Daarna de derde maal, point blank, in het voorhoofd.