Kwaad ontwaakt

Werk in uitvoering: Het begin van hoofdstuk 2 van Kwaad ontwaakt in een voorlopige versie. Hoofdstuk 1 beschrijft de liquidatiepoging vanuit het point of view van de dader. In dit tweede hoofdstuk maken we de start van het onderzoek mee.

Veel leesplezier!

2.

Het was zijn laatste piket deze maand. Na vier nachten was het weer welletjes. Maarten had bij zijn vaste bezorg-Italiaan een pizza besteld. Hij gokte op een rustige nacht en schonk zichzelf een borrel in. Eentje moest kunnen. Hij pakte zijn i-pad en downloadde de NRC. Op dat moment hoorde hij het klassieke gerinkel van zijn diensttelefoon. Bart Nelissen op de display. Dat verraste hem, het was lang geleden dat hij zijn collega van de Unit Synthetische Drugs gesproken had. Bart vertelde hem dat hij een uur geleden door de politie-liaison in Parijs gebeld was. De verbindingsofficier was een jaargenoot van hem op de Academie en een goede vriend. De man was als justitie-attaché gedetacheerd bij de Nederlandse ambassade en had een TCI-status. Het was zijn taak gevoelige informatie bij de Parijse collega’s in te winnen en deze gecodeerd door te geven aan de Landelijke Eenheid.

‘Cas herinnerde zich jouw naam uit een dossier dat vorig najaar speelde. De zaak Dantzig. Dat klopt toch?’

‘Jazeker. Liquidaties, een moordservice actief binnen de Mocro-war.’

‘Hij wilde jou persoonlijk een bericht sturen dat anders misschien zou verdwijnen in de berg dagjournaals die hij wekelijks naar Driebergen stuurt.’

Maarten wist dat het vaak drie maanden duurde voor informatie uit internationale kanalen op het bureau kwam waar het thuishoorde. Ingelicht worden door je persoonlijke netwerk was van levensbelang.

‘Attent van die man.’

‘Vond ik ook, heb hem alvast bedankt uit jouw naam. Ik stuur je de mail zometeen door. Normale crypto. Gisteravond laat is in het 5e arrondissement een jong Nederlands stel geliquideerd. Hij op slag dood, zij overleden in het ziekenhuis.’ Opeens vermoedde Maarten wat er komen ging. ‘Vanochtend heeft de police judiciaire in hun appartement behalve hun Franse en Nederlandse paspoorten ook ruim € 67.000.- aan contanten gevonden.’

Maarten had Bart bedankt en voorgesteld binnenkort weer eens bij te praten, nadat de rust in het Amsterdamse was teruggekeerd. Zijn collega had cynisch gelachen en geroepen dat dat nog wel even zou duren. ‘Zolang half Amsterdam coke blijft snuiven zal deze shit nooit overgaan.’

Maarten nam een slok van zijn borrel en opende de mail. Twee minuten later had hij de inlogcode in de sms-authenticatie ingevuld en stond het bericht op zijn pc. Twee a4-tjes, zonder bijlage. Cas Slootweg had het meest voor de handliggende scenario van de Parijse collega’s in zijn eigen woorden samengevat:

‘Vrijdagavond 30 maart komen Malika Al-Issa en Rachid Khalfaoui rond 20:30 uur thuis. De dader wacht hen binnen op. Vrijwel direct nadat de twee uit de lift op de eerste verdieping stappen en hun appartement betreden hoort de conciërge meerdere schoten. De oudere vrouw, slecht ter been, sluit zich in paniek op in haar portiersloge en belt 112. Na negen minuten arriveert de politie, de dader is dan al spoorloos. Ze treffen Rachid dood aan, Malika is zwaargewond. Zij overlijdt een uur later in het ziekenhuis. Forensisch treft hulzen van 9×19mm patronen aan, vermoedelijk afkomstig uit een Glock 17.’

Maarten herkende de namen van het stel. Ze hadden vorig najaar in de zaak Dantzig een antecedentenonderzoek gedaan naar drie Marokkaanse families. Eén daarvan heette Khalfaoui. De samenvatting die hij gemaakt had bleek nog in zijn computerarchief te staan. Het jonge stel was pas getrouwd, geen kinderen. De man was in 2017 afgestudeerd in Technische Informatica aan de Hogeschool van Amsterdam. Zijn vrouw studeerde Frans aan een parttime lerarenopleiding. Een fase later in het onderzoek waren ze bij hen langs geweest om hen te horen. Tevergeefs, ze waren op stel en sprong vertrokken naar het buitenland en leken spoorloos. Tot vandaag.

Maarten realiseerde zich dat er verband zou kunnen bestaan tussen de liquidaties van vorig jaar en deze dubbele moord in Parijs. Lydia zou via een rechtshulpverzoek meer te weten kunnen komen over het verloop van het onderzoek door de Franse collega’s. Hij moest haar informeren, maar besloot dat uit te stellen tot morgen.

Waarschijnlijk was hij de laatste in de bezorgvolgorde, de pizza was minder dan lauw. Anne had hem ooit verteld dat Napolitanen de droge en harde rand van een pizza de cornicione noemden. Dit keer was niet alleen die rand niet echt lekker. Hij stond op het punt het grootste gedeelte van zijn maaltijd in de afvalemmer te gooien toen zijn diensttelefoon ging, voor de tweede keer die avond.

Jelle was onderweg naar de Silodam. Zijn stem klonk energiek. De dienstdoende operationeel coördinator had hem gebeld.

‘Liquidatie, twee slachtoffers, waaronder een Marokkaanse jongen. Broersepark Amstelveen. Harre Tjalsma heeft dienst in het OC vanavond. Oudgediende, die kent de procedures. Hij heeft blauw er met prio naar toe gestuurd en meteen de dienstdoende OpCo gebeld.’

Dirk Rodenburg had tijdens de zaak Dantzig een protocol ingesteld. Als het ging om liquidatiezaken die mogelijk gelieerd waren aan de Mocro-maffia moesten ze als eerste Maarten of Jelle bellen.

Met dank aan Harre. Hij heeft me verlost van een koud geworden pizza.’

Jelle lachte.

‘Goed zo! Ik sta over vijf minuten voor je deur. Tot zo.

Jelle draaide de A10 op. Het was stil op de Ring. Maarten vertelde kort over het telefoontje van Bart. Ze waren het erover eens dat de aanhouding van de Parijse dader een doorbraak zou kunnen betekenen in het vastgelopen onderzoek naar de opdrachtgevers in de zaak Dantzig.

‘Weet je al meer over wat we gaan aantreffen?’

‘De melding kwam drie minuten voor negen binnen. Twee joggers, studentes. Geheel in paniek. Ze troffen de slachtoffers aan op een bankje dicht bij de volière, vrouw dood, de man leefde nog. Vijf minuten was de eerste patrouillewagen van het basisteam ter plaatse, samen met de ambulance. De man is naar het VUmc op de Amstelveenseweg gebracht.’

‘Wat zei blauw?’

‘Heftig, doelgericht, een wonder dat die man nog leefde.’

‘Weten ze meer over de slachtoffers?’

‘Jonge vrouw, rond de twintig. Man idem.’

Jelle draaide om 21.40 uur de ingang van het park aan de Molenweg op. Een jonge aspirant zag hen aankomen en stapte uit. Hij had zijn surveillanceauto half op het pad gezet. Jelle deed het raampje omlaag en zwaaide met zijn pasje.

‘Hallo, recherche Kabelweg.’

‘Goeienavond, basisteam C-drie, bureau Gerard Doulaan. Links aanhouden, het wandelpad blijven volgen tot je aan de linkerkant een volière ziet. Daar staat een collega.’ De jonge agent stapte weer in en reed langzaam achter hen aan.

De volière was de grootste die Maarten ooit gezien had. Langs het gravelpad was de zes meter hoge gazen kooi zeker vijftien meter lang. Achterin een overdekt nachtverblijf met overal openstaande vliegluiken, op het binnenterrein een paar kale klimbomen. Een oudere brigadier wachtte hen op. Kaal hoofd, grijze stoppelbaard. Maarten kende hem niet.

‘Blij dat jullie er zijn. Tot nu toe zijn we met z’n vieren, een collega is mee met die gewonde jongen in de ambulance.’

Maarten en Jelle stapten uit. De politieman wees richting speeltuin. Daar stond nog een politieauto. Een collega zette de rest van het gedeelte ten oosten van de vijver af met rood-witte linten. 

‘We zetten zo ruim mogelijk af, kleiner maken kan altijd nog. Forensisch is onderweg. Antikijkschermen idem. Het looppaadje naar de slachtoffers is gemarkeerd. Naast de ziekenbroeders ben ik als enige bij het bankje geweest. Ik heb foto’s van de beginsituatie, zoals we ze hebben aangetroffen. Die ambulancejongens hadden hun werkplek links van de bank. Het was kantje boord, ze hadden niet eens tijd om overschoentjes aan te trekken. Mijn maatje is mee naar het VUmc. Ze maakt daar na afloop foto’s van hun schoenzolen en ze zorgt voor de inbeslagneming van kleding en spullen.’ De man glimlachte. ‘Dat is het wel geloof ik.’

Maarten vroeg zich af of deze brigadier altijd zo volgens het boekje werkte. Ze waren ongeveer even oud. Zelfde opleidingsgeneratie. Hoewel hijzelf aanzienlijk losser met de geldende voorschriften om ging deed de ambachtelijkheid hem op de een of andere manier goed. Hij wist als geen ander hoe cruciaal de eerste fase van een pd-onderzoek was. Wanneer je te vroeg een voor de hand liggende – maar verkeerde – conclusie trekt, zoek je daarna in de verkeerde richting. Grote kans dat je andere scenario’s niet meer toetst. Wat er werkelijk gebeurd is ontdek je daardoor minder snel of te laat.

Uit de volière klonk het schorre geschreeuw van een pauw. Maarten keek om zich heen. De vijver tegenover de bankjes was omringd door monumentale wilgen, aan de overkant lag een rustiek houten bruggetje. Het was donker nu en binnen de afzetting lag een jonge dode vrouw, maar het schijnsel van de volle maan leverde een romantisch plaatje op. De pd-markers waren om de meter op de grond gelegd. De reflecterende rode strepen lichtten op in het maanlicht. Hij liep langzaam in de richting van de drie parkbankjes. Ze stonden op enige afstand van elkaar langs het gravelpad. Het lichaam van het dode meisje hing tegen de rugleuning van de eerste bank, enigszins onderuitgezakt. Haar hoofd lag achterover, haar ogen geopend, een inschotopening midden in haar voorhoofd.

Achter hen, bij de volière, stopte een witte GGD-auto. Behalve Caroline van Rosmalen stapte er nog iemand uit. Klein van stuk, lang opgestoken haar. Maarten gokte op een Arabische achtergrond. Ze had een witte moon-unit aan, deed een haarnetje om en een mondmasker op. Caroline pakte haar koffertje, gaf het aan haar en liep op hen toe. Ze groette vrolijk.

‘Goed geregeld heren. Perfecte timing. We hadden een verhanging in Kostverloren, dichterbij kon niet.’ Ze gaf Maarten en Jelle een hand en wenkte haar collega. ‘Dit is Lanya Musawi, drie jaar basisarts, nu forensisch arts in opleiding.’ Ze grijnsde. ‘Een talent mag ik wel zeggen.’ Ze knikte naar het dode meisje. ‘Leef je uit, Lanya.’

Politiemensen waren onderling vaak nogal informeel en rechtstreeks in hun spraakgebruik. Maarten kon daar niet zo goed tegen, maar de directheid van Caroline waardeerde hij. Lanya trok handschoenen aan, liep langs de markers naar het slachtoffer en bekeek haar nauwkeurig. Ze drukte een vinger tegen de zijkant van de linkeroogbol om te kijken hoe de pupil reageerde. Het leek een overbodig gebaar, maar hij wist dat het bij de medische routine hoorde. Ze maakte een serie foto’s met haar telefoon. Daarna activeerde ze de dictaphone-app en begon in te spreken. Nauwgezet omschreef ze positie, houding en kleding van het meisje. Caroline keek goedkeurend toe.

‘Prima meid. Gevlucht uit Irak, met haar ouders, 7 jaar oud. Vader én moeder hoogopgeleid. In één jaar van mavo naar vwo. Hoezo taalachterstand, hoezo intelligentie?’ Ze lachte. Vanuit de vijver klonk het geklapper van vleugels en het gekwaak van een eend. Het leek een instemmend antwoord. ‘Ik begreep van de centralist dat er een tweede slachtoffer zwaargewond naar het VUmc is?’

Jelle knikte.

‘Man, zelfde leeftijd. In de rug geschoten begreep ik.’

‘We zullen er zo langsrijden. Als hij nog leeft heb ik daar formeel niets te zoeken natuurlijk, maar ik wil even zijn gegevens vergelijken met wat we hier geconstateerd hebben. Lanya?’

Haar collega draaide zich om.

’Nog nauwelijks een begin van lijkstijfheid. Tijdstip van overlijden een tot twee uur geleden.’ Ze keek op haar horloge. ‘Zoals te verwachten kan dat inderdaad kort voor de melding liggen. Twee inschotwonden, linksboven de linkerborst en centraal in het voorhoofd. Met het blote oog is geen roetrand of ingebrande huid te zien. Niets definitief, maar ik zou denken aan een schootsafstand van minimaal een tot twee meter.’

‘Okay, wij gaan even bij de spoedeisende hulp kijken. Als daar nog iets nieuws te melden is bel ik jullie.’

Jelles telefoon ging. Hij nam op en liep terug naar hun auto. Maarten liep naar de dode vrouw, pakte zijn diensttelefoon en maakte een paar foto’s. Geheugensteun voor zijn pv. Ze hing half weggezakt naar links op de parkbank, de rechterarm langs het lichaam, de linker in de schoot. Het linkeronderbeen lag in een hoek onder de bank, het rechter stak gestrekt naar voren. Ze had halflang, honingblond haar, een bleekwitte huid, bijgetekende wenkbrauwen en zwarte plakwimpers. De donkerbruine ogen staarden zonder iets te zien in het niets. Hij keek naar de mond en vroeg zich af of het meisje lipfillers gebruikt had. Ze was gekleed in een zwartleren jack, zwarte sneakers met een dikke witte zool en een idem trainingsbroek. Onder het dunne jack droeg ze een rood t-shirt met op haar borst een vijfpuntige ster, in de groene kleur van de islam. Het doorschot zat rechtsboven de ster. De rechthoekige plaknagels hadden exact dezelfde rode kleur als het t-shirt.

Dat was het voor nu. Volgende keer een vervolg op deze vooruitblik…