Schieten met een vuistvuurwapen (1)

Walther P99Q-NL.jpg
Dienstwapen Maarten Severyn – © Fotografie All Fiction

Zelf schieten

Voor alles is een eerste keer. Gespannen sta ik ergens in het land op een schietbaan van de Nationale Politie, klaar voor het bijwonen van de schietvaardigheidstraining. Een langwerpige ruimte met aan het einde een blinde muur vol gaten, geprepareerd om kogels op te vangen. Voor die muur staan verschillende bordkartonnen zetstukken: silhouetten, donkere afbeeldingen van personen die een vuistvuurwapen op je richten.

De grond loopt een beetje af naar beneden. Dichterbij, op ruime afstand van de duistere figuren, staan meer neutrale decorstukken, muurtjes, een deel van een bushokje. Ze dienen om dekking te zoeken. De andere muren en het eveneens schuin aflopende plafond zijn met zacht hout bekleed, alles is gedaan om afketsen van kogels te voorkomen.

We gaan die middag film schieten. Met scherp. Patronen worden uitgereikt, iedereen vult zijn eigen magazijn, vijftien stuks.

Op de vaalwitte achterwand zullen zo meteen bewegende beelden verschijnen, korte fragmenten van verdachte personen die onverwacht een vuurwapen op je richten: staand, knielend of liggend. Realistische situaties. Het aanspreken van een gewapende verdachte – een agent schreeuwt dat hij zijn wapen moet laten vallen – kun je oefenen. De instructeur kan hem het vuurwapen neer laten leggen, óf hij kan de verdachte het wapen op de agent laten richten en schieten.

De briefing

De deelnemende politiemensen bereiden zich voor op de training. De instructeur praat me kort bij. ‘Blauw’ beschikt over zes wapens die zij alleen onder strenge voorwaarden mogen gebruiken. Vijf van de zes wapens zijn geweldsmiddelen. Het zesde is de mond van een agent.
De instructeur grijnst: ‘Dat laatste werkt niet altijd.’

Natuurlijk is er ook de politiehond, maar naast mond en hond beschikken de collega’s in uniform over:

  • de wapenstok; een tik met de korte wapenstok, gemaakt van pvc en verhard rubber, komt hard aan. Een gerichte klap op armen of benen kan voor behoorlijke kneuzingen, en soms voor botbreuken zorgen. De mobiele eenheid gebruikt naast de korte, ook een lange wapenstok, hoofdzakelijk bij grote ongeregeldheden.
  • pepperspray; een veilig wapen met een korte werkingstijd, bedoeld voor één-op-één-situaties.
  • traangas; wordt alleen gebruikt in bijzondere gevallen, zoals rellen in de binnenstad.
  • handboeien; worden gebruikt bij het vervoer van verdachten of arrestanten. Soms worden tie-wraps gebruikt, plastic bandjes die iemands polsen samenbinden. Deze strips zijn een stuk lichter dan handboeien.
  • tot slot het dienstwapen, de Walther P99Q-NL; alle politiemensen, blauw en grijs (= de recherche), beschikken over dit pistool. Het wordt alleen gebruikt bij de aanhouding van een vuurwapengevaarlijke verdachte of een verdachte van een ernstig misdrijf. De recherche draagt het wapen in een ‘verdekt’ holster, het zogeheten ‘burgerholster’.

Het wapen zélf

De instructeur (“Lege houders direct weer opdoppen jongens.”) leert me omgaan met het wapen en vertelt er ondertussen over: ‘De kast is gemaakt van hoogwaardige kunststof, glasvezel versterkt met nylon. De kolf heeft een verstelbare greeprug, small, medium of large. Ideaal voor kleine en grote handen. Het wapen kun je links- en rechtshandig gebruiken. Er kunnen 15 patronen in, daarnaast heb je nog een extra houder. De kans dat je leeg komt te staan is klein.’

Dan volgt het jargon:

  • ‘ongeladen’ betekent geen magazijn in het wapen, ofwel een leeg magazijn.
  • ‘half geladen’ is het wapen wanneer je een volle patroonhouder in het pistool schuift.
  • ‘geladen’ wil zeggen dat er een magazijn met patronen in het wapen zit, maar géén patroon in de afvuurkamer.
  • ‘doorgeladen’ betekent dat er een patroon in de afvuurkamer zit. 
  • ‘op scherp’ wil zeggen dat de veiligheidspal zo staat dat het wapen onmiddellijk kan worden afgevuurd door de trekker over te halen.
  • ‘veilig’ (niet op scherp) betekent dat de veiligheidspal nog uitgeschakeld of ontgrendeld moet worden vóór het wapen kan worden afgevuurd.

De instructeur vouwt de vingers van mijn linkerhand om het wapen. “Je mag je wijsvinger nooit direct op de trekker leggen. Hij moet horizontaal langs de loop liggen, pas op het moment dat je wilt gaan schieten, plaats je je vinger op de trekker.” 

Hij eindigt met de laatste geboden:

  • Een dienstwapen hoort in de holster, tenzij…
  • Richt het wapen nooit op een persoon, tenzij…
  • Overhandig een wapen alleen aan een collega wanneer je ervan overtuigd bent dat het ongeladen is.
  • Stel het moment van schieten zo lang mogelijk uit. Als je besluit om te schieten, schiet dan raak…

Nu eerst mijn proefschot. Doelwit: een meermalen geraakte schietschijf. Het dienstwapen is zwaarder dan ik dacht. Links schieten kán en mág, gelukkig. Ik krijg de laatste instructies: sta zo stabiel, ontspannen en rechtop mogelijk met je voeten op schouderbreedte in een lichte spreidstand, je tenen iets naar buiten gericht; ontspan je schietarm, strek hem vanuit de schouder tot iets boven horizontaal en breng het wapen voor je ogen; hou je arm gestrekt, wijsvinger op de trekkerbeugel. Steun het wapen in je schiethand met je andere hand; hou keep en korrel scherp, het doel wazig. Concentreer je. Breng je wijsvinger met het midden van het voorste kootje op de trekker, en vergroot rustig de druk. Druk nu langzaam door, tot het schot afgaat en blíjf narichten.

De terugslag is onverwacht sterk, de knal hard, ondanks de hoorbescherming. Mijn eerste schot met het dienstpistool van de Nationale Politie mist doel.